Ik lig achter in onze Opel Stationcar. Niet op een stoel. In de achterbak. Op mijn rug kijk ik door de ramen naar buiten terwijl mijn ouders over de A2 rijden. We zijn op weg naar opa en oma Burkunk in Alkmaar. De route is vertrouwd. Maar bij Vinkeveen moet ik altijd even kijken.
Daar staat hij. De rood-witte Esso-pomp. Laag. Veel glas. Een vreemde knik in het dak. Hij ziet er totaal anders uit dan de wereld eromheen.
Voor mij is het geen Nederlands benzinestation. Het is Amerika.
De pomp had zo in Happy Days kunnen staan. The Fonz zou er zijn motor kunnen parkeren. Achter het glas verwacht ik Coca-Cola, een jukebox en mensen die dingen zeggen die ik alleen van televisie ken. Misschien ligt achter die pomp wel Route 66. Een weg door de woestijn. En daar wil ik naartoe.
Pas veel later ontdek ik twee dingen. Het eerste: dat benzinestation is ontworpen door Willem Dudok, een Nederlandse modernist, en heeft met Amerika niets te maken. Het tweede: in 1993 reis ik voor het eerst zelf naar de Verenigde Staten, en Route 66 blijkt eruit te kunnen zien als een provinciale weg in Flevoland. In 1995 wordt de pomp bij Vinkeveen uit zijn omgeving getild en op een vrachtwagen weggevoerd. Uiteindelijk belandt hij in een museum. Daarmee wordt hij eindelijk wat hij in mijn jeugd al was: een tentoonstellingsstuk. Alleen stond het museum toen nog in mijn hoofd.
Liggend op je rug in de achterbak van een Opel stationcar schuift het landschap langs de ramen. Bij Vinkeveen verschijnt heel even een laag rood-wit gebouw met veel glas en een knik in het dak. Het lijkt nergens op wat eromheen staat. Achter dat glas vermoed je Coca-Cola, een jukebox en een woestijnweg die Route 66 heet.
Op het eerste gezicht is dit een herinnering aan een benzinestation. Maar dat is te eenvoudig. De werkelijke vondst is een projectiescherm. Een Nederlands gebouw uit de wederopbouwperiode wordt door een kind aangezien voor een stukje Amerika — niet omdat iemand hem dat vertelt, maar omdat eerdere beelden zich aan het gebouw vasthechten: televisie, stripboeken, auto’s, Coca-Cola, Route 66, de American Dream. De pomp is daardoor tegelijk werkelijk en fictief. Hij staat aantoonbaar bij Vinkeveen, maar in het hoofd staat hij ergens tussen Wisconsin, Californië en een woestijnweg die grotendeels uit televisiebeelden bestaat. Het gebouw wordt niet verkeerd herinnerd; het wordt juist scherp gezien en verkeerd geduid. En precies die verkeerde duiding blijkt achteraf betekenisvol.
De kracht van deze vondst zit in een historische paradox. Het benzinestation dat zo nadrukkelijk Amerikaans oogde, hoort architectonisch juist bij een Europese en Nederlandse modernistische ontwerpwereld. Voor een architectuurhistoricus is het een Dudok. Voor Esso een benzinestation. Voor Rijkswaterstaat infrastructuur. Voor een jongen achter in een Opel is het Route 66. Die laatste betekenis is historisch niet minder interessant. Vanaf de naoorlogse decennia dringt de Amerikaanse populaire cultuur steeds dieper het Nederlandse dagelijks leven binnen: muziek, televisie, film, auto’s, voedsel, reclame, merken. Een generatie Nederlandse kinderen hoeft niet naar Amerika om zich een voorstelling van Amerika te vormen. Het continent arriveert eerst in de huiskamer. Daarmee wordt de pomp bij Vinkeveen een klein monument van culturele Amerikanisering — niet omdat hij Amerikaans is, maar omdat hij Amerikaans gelézen kan worden.
- rood en wit; veel glas; de lage horizontale vorm; de merkwaardige knik in het dak; een gebouw dat afwijkt van de snelweg waaraan het staat; het beeld verschijnt kort in een bewegend kader, vanuit een kind dat laag en op zijn rug ligt
- geen specifiek geluid van het pompstation zelf; wel de onvermijdelijke geluidsruimte van de autorit: onderweg zijn, de snelweg, het passeren — verder niet ingevuld
- niet de pomp maar de houding: liggend in de achterbak van de stationcar; het lichaam ligt stil terwijl de wereld beweegt; nergens heen hoeven lopen, niets besturen, niets beslissen — de bijna perfecte lichamelijke toestand voor fantasie
- geen betrouwbare geurherinnering; benzine zou voor de hand liggen maar wordt niet herinnerd en wordt daarom niet toegevoegd
- niet letterlijk aan de pomp gekoppeld; wel bestaat het Amerika in het hoofd uit consumptie: Coca-Cola bij het ontbijt, overvloed, grote koelkasten — smaak als onderdeel van een geïmporteerde fantasiewereld
De Dudok-pomp is een uitzonderlijk sterk indexfossiel omdat verschillende twintigste-eeuwse werkelijkheden erin samenvallen: de opkomst van de auto, de snelweg, de oliemaatschappij, de wederopbouw en het geloof in modern ontwerp. Maar in de herinnering vertegenwoordigt hij óók Amerikanisering — en juist daar schuurt het met de architectonische werkelijkheid. Wat het kind als Amerikaans leest, blijkt ontworpen door de Nederlandse architect Willem Dudok en geworteld in Europese modernistische architectuur. Het indexfossiel bestaat daarom niet alleen uit het gebouw, maar uit de mislezing van het gebouw. Dat een Nederlands kind in de jaren zeventig een Nederlands modernistisch benzinestation onmiddellijk in Amerika kan plaatsen, zegt iets over de culturele macht van Amerika.
Oppervlaktelaag — De pomp — Een opvallend rood-wit Esso-benzinestation bij Vinkeveen; een herkenningspunt tijdens de autorit naar Alkmaar.
Tweede laag — Het reisritueel — De pomp hoort bij een terugkerende familiebeweging. Ouders voorin, kind achterin, op weg naar opa en oma Burkunk. Het benzinestation is daarmee een kilometerpaal in een familiegeschiedenis. Niet: we zijn bij Vinkeveen. Maar bijna: we zijn weer onderweg naar opa en oma.
Derde laag — Amerika — Het gebouw wordt een poort. Achter het glas ligt een ander continent. Niet het werkelijke Amerika, maar het uitgezonden Amerika dat via televisie en populaire cultuur het Nederlandse kinderleven binnenkomt.
Vierde laag — De American Dream — De fantasie wordt groter. Amerika betekent overvloed: een loei van een koelkast, Coca-Cola bij het ontbijt, kleurentelevisie die overdag uitzendt, enorme auto’s, enorme huizen, van krantenjongen tot miljonair. Amerika is niet alleen een land maar een vergrotingsapparaat.
Vijfde laag — Het familie-Amerika — De familie van oma emigreerde in de jaren dertig naar de Verenigde Staten. Oma bleef achter omdat haar man niet mee wilde. De Amerikaanse droom heeft daarmee een niet genomen zijpad in de familiegeschiedenis. Een deel ging, een deel bleef. Zelfs de naam Marlin draagt dat spoor.
Zesde laag — De reis van 1993 — De boring gaat door de droomlaag heen. Je bezoekt het beloofde land en het bestaat niet — in ieder geval niet zoals het al die jaren in je hoofd bestond. Route 66 blijkt geen mythische baan door een cinematografisch landschap, maar kan eruitzien als een provinciale weg in Flevoland.
Zevende laag — De volwassen cultuurlaag — Merkwaardig genoeg vernietigt de volwassenwording het droombeeld niet. Er komen nieuwe beelden bovenop: Hopper, Wenders, Jarmusch. Het kinder-Amerika wordt vervangen door een melancholischer Amerika van motels, benzinestations, lege wegen, neon, spoorlijnen en diners. De droom wordt intellectueler, maar blijft een droom.
Achtste laag — De verwijdering — In 1995 verdwijnt de pomp zelf. Niet langzaam, niet door sloop: hij wordt letterlijk uit zijn omgeving getild, vliegt door de lucht en wordt op een vrachtwagen gezet. De droom wordt fysiek losgemaakt van de plek waarop hij ooit ontstond.
Diepste laag — Het museum — Uiteindelijk belandt het benzinestation in een automuseum. Daarmee wordt het object eindelijk wat het in de jeugd al was: een tentoonstellingsstuk. Alleen stond het museum toen nog in je hoofd.
De geschiedenis van de pomp laat zich bijna lezen als een reeks functiewisselingen. Jaren vijftig: modern benzinestation — vooruitgang, mobiliteit, architectuur, automobilisme. Jaren zeventig: Amerikaans droomdecor, tenminste vanuit de achterbak van een Opel. 1993: barst in de projectie — het echte Amerika blijkt gewoner dan het imaginaire. 1995: het object wordt losgemaakt van zijn landschap en de gebruiksfunctie eindigt. Daarna: erfgoed, het benzinestation wordt museumstuk. En nog later: Geheugengroeve. Nu is de pomp niet alleen architectonisch erfgoed, maar persoonlijk cultuurhistorisch bewijsmateriaal.
Als kind: ik weet wat ik zie — dit is Amerika. Als jongere: Amerika wordt bevestigd door steeds meer culturele beelden. Als student: Hopper, Wenders en Jarmusch voegen een artistiek Amerika toe; het beeld wordt complexer, maar niet noodzakelijk werkelijker. 1993: empirische confrontatie — de werkelijkheid bevestigt het opgebouwde beeld niet. Later: je ontdekt dat de pomp door Willem Dudok is ontworpen; wat Amerikaans leek, staat architectuurhistorisch juist stevig in een Europese modernistische traditie.
Nu: de belangrijkste kennis is misschien dat geen van die eerdere beelden volledig fout was. Ze behoorden alleen tot verschillende werkelijkheden. Het gebouw stond in Vinkeveen. Route 66 lag in Amerika. Maar het Amerika van Vinkeveen lag in je hoofd — en ook dat heeft werkelijk bestaan.
| Begrip | Toen | Nu |
|---|---|---|
| Amerika | Beloofde land | Culturele projectie |
| Route 66 | Mythische weg | Geconstrueerd verlangen |
| Benzinepomp | Amerikaanse anomalie | Indexfossiel |
| American Dream | Overvloed | Historisch cultuurbeeld |
| Dudok-pomp | Decor | Autobiografisch geheugen |
| Museum | Bewaarplaats | Correctie op de droom |
| Amerikaans | Beeld van Amerika | Aangeleerde blik |
Als kind is Amerika zonder veel voorbehoud begeerlijk: groot, rijk, vrij, modern. Later komt twijfel. De volwassen blik ziet dat de American Dream ook een ideologie is. Het familieverhaal rond opa — in de familie aangeduid als ‘communist’, iemand die niet voor een baas wilde werken — introduceert zelfs een tegenbeeld. Voor hem vormde het kapitalistische Amerika kennelijk eerder een bedreiging dan een belofte. Daardoor loopt door één familie een kleine ideologische breuklijn. Voor het kind: daar wil ik heen. Voor opa: daar wil ik niet heen. Het beloofde land is nooit voor iedereen hetzelfde beloofde land geweest.
Deze vondst introduceert een bruikbaar begrip: het projectiefossiel. Een projectiefossiel is een werkelijk object waarop een elders geproduceerd cultuurbeeld wordt geprojecteerd. De pomp bij Vinkeveen is daarvan bijna het perfecte voorbeeld. Het gebouw zelf zegt niet: Route 66. Het kind doet dat. Maar het kind verzint die associatie evenmin volledig zelf — de beelden zijn aangeleverd door televisie, strips, reclame en populaire cultuur. Het projectiefossiel ligt daardoor precies tussen persoonlijk geheugen en collectieve beeldvorming in. Dat maakt het methodologisch interessant: de Geheugengroeve onderzoekt niet alleen wat er was, maar ook wat wij dachten dat er was. Soms is het verschil daartussen de interessantste historische bron.
Er zit bovendien een prachtige omkering in deze vondst. Eerst wordt Vinkeveen Amerika. Later blijkt Amerika Vinkeveen. De exotische Route 66 wordt een provinciale weg in Flevoland. Daarmee stort de droom niet volledig in — hij wordt zichtbaar als constructie. En juist op dat moment begint de cultuurgeschiedenis.
18. Waarom verdient deze vondst een plaats in de Geheugengroeve
Omdat een benzinestation bij Vinkeveen veel meer blijkt te zijn dan een gebouw langs de A2. Het is een klein rood-wit gat in het Nederlandse landschap waardoor een kind Amerika binnenkijkt. Door dat gat komen Happy Days, Charlie Brown, Coca-Cola, grote auto’s, koelkasten, Route 66 en de American Dream naar binnen. Later volgen Hopper, Wenders en Jarmusch. Nog later volgt Amerika zelf — en juist dat echte Amerika kan de vergelijking met het imaginaire land niet doorstaan. Daarmee documenteert deze vondst hoe een mens een land kan kennen voordat hij er ooit geweest is, en hoe massamedia zich vastzetten in concrete plekken.
En dan komt het slotbeeld. De pomp wordt uit de grond getrokken. Het gebouw dat jarenlang een droom heeft gedragen zweeft door de lucht en verdwijnt op een vrachtwagen. Bijna absurd letterlijk wordt de fantasie van haar fundament losgemaakt. Daarna belandt zij in een museum. Als kind dacht je dat achter de pomp Amerika begon. Als volwassene ontdekte je dat Amerika daar nooit gelegen had. Maar de pomp heeft het wel mogelijk gemaakt er jarenlang naartoe te reizen — zonder Vinkeveen te verlaten. Dromen zijn bedrog. Zeker Amerikaanse. Maar voor de Geheugengroeve zijn juist zulke vergissingen goud waard.





Add comment