Johan Cruijff… Wanneer kwam nr 14 in mijn leven? Het moet ergens in 1973 geweest zijn. Zeven jaar was ik. Boven mijn bed hing een poster uit de Panorama van ‘Het Nederlands Elftal’. JC met karikaturale neus, castagnetten en een pak bankbiljetten uit zijn voetbalbroekje. Hij leek mij een man met praatjes. Volgens mijn vader had hij ruzie gemaakt met Van Beveren en wilde Jan niet meer keepen voor het Nederlands elftal.
Het was het jaar ‘73–’74. JC speelde toen al bij FC Barcelona. Ik speelde bij SVM-boys. Net zoals de volgelingen van de echte JC denken in een jaar 0 alsof de wereld dan begint met tellen, heb ik het gevoel dat een jaar begint in augustus. Dat komt door het voetbalseizoen. Seizoen 1973–1974 zat ik in gezinsgroep 2 bij Juul op de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven. In de aanloop naar het WK 1974 in Duitsland begon ik mij ook voor het Nederlands elftal te interesseren. Ik verzamelde voetbalplaatjes en kreeg van mijn moeder een poster uit de Panorama. Die heeft nog jaren na de finale boven mijn bed gehangen.
Als ik zelf moest voetballen op zaterdag deed ik ’s ochtends mijn complete tenue aan. Een wit broekje, altijd netjes gestreken door mijn moeder, en een geel shirt met blauwe V op mijn borst. Zelfs mijn voetbalschoenen trok ik al aan op mijn kamer. Die waren helaas van Gold Cup, een eigen merk van Vroom & Dreesman. Ik schaamde me rot voor die kicksen. Mijn vader werkte bij V&D dus moest iedereen in het gezin gebruik maken van de personeelskorting. Toch heb ik ze moedig gedragen op het veld en buiten het veld. Zelfs in de huiskamer als het Nederlands Elftal op de buis was.
Dan zat ik dus voor de TV met voetbalschoenen. Tsja, God: het Nederlands Elftal, zo noemden we dat toen. “Oranje” zei niemand. Ik kan het nog steeds moeilijk uit mijn mond krijgen. Volgens mij hadden we pas bij het WK in 1978 een kleurentv dus heb ik de finale tegen de Moffen in zwart-wit gezien.
Mijn vader was idolaat van voetbal. Maar geen enorme fan van Cruijff. En helemaal niet van Duitsers. Als kleine jongen keek ik bijna met zijn ogen naar de bal. Klakkeloos nam ik zijn reacties en manier van commentaar geven over. Daar zaten veel Engelse termen bij. Mijn vader zei vaak: ‘Scheids, off-side!’. ‘Wat een goal! Uit het boekie… dat was echt uit het boekie.’ Mijn vriendjes keken raar op als ik op het schoolplein riep: ‘Godverdomme, free kick… ik neem!’
Het mooiste moment in de huiskamer was het spelen van het volkslied voor de wedstrijd. De camera zwenkte dan tijdens het Wilhelmus langs de koppen van de spelers. Mijn vader sprak dan heel plechtig bij elke speler hun naam: ‘Cruijff, Neeskens, Zuurbier, Haan, Rep, Van de Kerkhof, Van de Kerkhof, Van Hanegem.’ Alsof het de martelaren van Gorinchem waren. Ik kreeg daar kippenvel van. Meestal stond ik bij het Wilhelmus stram in de houding. Bij het einde hief ik één voor één mijn benen en schudde ik soepeltjes met mijn schoenen in de lucht, precies zoals de spelers.
De bloedstollende finale in 1974 zag ik op TV in onze huiskamer. De aftrap in het Olympisch Stadion in München. Cruijff met Van Hanegem bij de middenstip. Een shot van het moderne glazen dak van het stadion. Al die bakken onder de fontein van de bloedlijn vulden zich later vanzelf. Ik zag Paul Breitner en Gerd Müller. Mijn vaderskant zag Joseph Goebbels en Adolf Hitler. Mijn moederskant zag Rauter die de opdracht gaf om haar broer te fusilleren in ’45. Toch was ik mij alleen maar bewust van de spanning van een voetbalfinale.
Dat machtsvertoon na de aftrap. We houden de eerste minuten balbezit. Die dribbel van Cruijff vanaf het middenveld, hij passeert een paar man en laat zich vallen in het strafschopgebied. Penalty. Neeskens neemt hem, keihard in het midden en boem 1–0. Ik zie dit letterlijk op mijn netvlies — maar het is geleend verleden want ik heb die finale later zo vaak teruggekeken dat mijn geheugen er een snel gemonteerde film van heeft gemaakt.
Toch was de sfeer bij ons thuis extra vijandig in de finale. Duitsers waren Moffen die we 30 jaar na de oorlog een collectieve klap terug konden geven. Voor heel veel Nederlanders had de finale van 1974 die lading. Maar zeker heb ik in de huiskamer na de nederlaag tranen in de ogen gezien van mijn vader en mijn opa horen schelden: ‘Vuile rotmoffen, MIJN FIETS TERUG’.
Wat heb ik gezien van JC toen ik hem ging volgen op TV? Ik zag een enorme uitstraling, ondanks zijn kleine gestalte leiderschap, techniek, inzicht en originaliteit. Precies de eigenschappen van een Verlosser. Alles was anders in zijn voetbalstijl: zijn loopje, zijn plotselinge versnelling, zijn gebaren. Als hij scoorde maakte hij bij het juichen een sprongetje en maakte steevast met zijn rechterarm een kloppende beweging in de lucht, alsof hij in het luchtledige bij God de vader aanklopte. Ook begon ik hem in mijn eigen spel te imiteren. Soms lukte zijn beruchte schijnbeweging. Elke verdediger trapte er in. Wat een koning.
In 2011 ontmoette ik JC in levende lijve op het achterterrein van WVHEDW, mijn voetbalclub uit mijn studententijd in Watergraafsmeer. Mijn zoon Kees had een exemplaar van het boek ‘Cruijffie’ in zijn hand. De messias zette joviaal zijn handtekening op pagina 3 en zegende mijn zoon op het voorhoofd. Wij werden er alle twee heel stil van. Ik gaf God een hand en was voor de rest met stomheid geslagen. Heel even had ik het gevoel dat deze man geen gewone sterveling was en dat ik een soort vonk voelde, maar dat ebde helaas weer snel weg. Hij stapte in een auto en reed weg. De ratio wint het dan toch weer van het geloof.
Een poster. Zwart-wittelevisie. Rugnummer 14. Het glazen dak van München. De stem van je vader als eerste voetbalcommentaar. Gevloek na de finale.
Johan is tegelijk voetballer, familieritueel en projectiescherm. Via Cruijff leert een kind kijken naar voetbal; via zijn vader leert hij hoe je erover spreekt. Later schuift achter de finale van 1974 een tweede wedstrijd naar voren: die tussen eigen herinnering, familieverhalen over de oorlog en beelden die eindeloos zijn teruggekeerd.
Televisie maakte van voetballers nationale figuren en van wedstrijden collectieve rituelen. In het Nederland van 1974 kon sport bovendien beladen raken met nog levende oorlogsherinneringen. Cruijff wordt daardoor méer dan een speler: hij draagt verwachtingen over moderniteit, leiderschap en verlossing die een samenleving op hem projecteert.
- de poster; zwart-wittelevisie; nummer 14; het glazen dak van München; Cruijffs armgebaren
- het Wilhelmus; de plechtig uitgesproken spelersnamen; ‘uit het boekie’; Engelse voetbaltermen; gevloek na de finale
- Gold Cup-noppen op de plavuizen; een handdruk in 2011; de zegen op het voorhoofd van Kees
- nauwelijks aanwezig; deze vondst wordt vooral door beeld en stem gedragen
Johan Cruijff met rugnummer 14 op poster en televisie.
Oppervlaktelaag — Een poster en een rugnummer.
Tweede laag — De held die je bewegingen op het schoolplein bepaalt.
Derde laag — De stem van je vader als eerste voetbalcommentaar.
Vierde laag — De finale van 1974 als drager van naoorlogse vijandbeelden.
Diepste laag — De vraag welk deel van de herinnering werkelijk van jou is.
Als kind zie je magie. Als student geschiedenis herken je hardnekkige frames. Als volwassene ontmoet je Cruijff en voelt heel even opnieuw de vonk. De speler blijft dezelfde; de lagen rond hem worden steeds dikker.
Als kind zie je Cruijff en de finale van 1974 als onmiddellijke werkelijkheid. Later weet je hoeveel beelden opnieuw zijn bekeken en hoeveel oorlogstaal al in het gezin aanwezig was. Daardoor wordt duidelijk dat geheugen geen onbewerkte opname is. Het is een montage van wat je zag, wat je hoorde en wat later telkens opnieuw werd vertoond.
| Begrip | Toen | Nu |
|---|---|---|
| Johan | De voornaam van de beste voetballer. | Een nationaal icoon dat bijna zonder achternaam kan bestaan. |
| Verlosser | Een speelse bijnaam voor Cruijff. | Een voorbeeld van de religiëuze taal waarmee massamedia sporthelden groter maken dan het dagelijks leven. |
| Geleend verleden | Verhalen van ouders en televisiebeelden. | Een herinnering waarin familiegeschiedenis, herhalingen op YouTube en eigen ervaring niet meer volledig te scheiden zijn. |
De kinderlijke heldenverering hoeft niet te worden veroordeeld. De vijandtaal rond Duitsland vraagt wel om een tweede blik. Zij kwam voort uit werkelijk familieverdriet, maar maakte van voetballers dragers van een oorlog die zij niet hadden gevoerd. De morele laag ligt juist in die spanning: begrip voor de oorsprong zonder de taal achteraf vanzelfsprekend te blijven vinden.
Deze vondst introduceert geleend geheugen als archeologisch probleem. Herhaalde televisiebeelden, familieverhalen en latere kennis kunnen zich zo innig mengen dat de grens tussen meemaken en herinneren vervaagt.
13c. Waarom verdient deze vondst een plaats in de Geheugengroeve?
Omdat Johan laat zien hoe één sporticoon persoonlijke bewondering, vaderschap, nationale identiteit en naoorlogse herinnering bijeenbrengt. Nummer 14 is daardoor zowel jeugdheld als boorpunt in het collectieve geheugen.





