leegkiepen en overdoen

1889 – 1918: Massapolitiek, Industrialisering en de ‘Tweede Gouden Eeuw’

Cesuur: De definitieve doorbraak van de massapolitiek, de opkomst van de vakbeweging en de eerste nationale sociale wetgeving (zoals de Kinderwetten en de kiesrechtuitbreiding van 1896).

Karakter van het tijdvak: Een snelle industrialisatie en verstedelijking (cityvorming) gaan hand in hand met een grote culturele en wetenschappelijke opbloei rondom 1900, die door historici ook wel als een ‘Tweede Gouden Eeuw’ wordt aangeduid. Het tijdvak sluit af met de schok van de Eerste Wereldoorlog en het kantelpunt van 1917/1918: de Pacificatie van 1917 brengt het algemeen kiesrecht én de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.

Economische ontwikkelingen

Omstreeks 1900 beleefde Nederland een periode van krachtige economische expansie. Grote industriële concerns en multinationals kwamen tot bloei (Philips, Koninklijke Shell, DSM, Unilever, Stork), gecombineerd met de expansie van de mijnbouw in Zuid-Limburg en de textielnijverheid in Twente.

In de grote steden voltrok zich het proces van ‘cityvorming’ (uitvoerig gedocumenteerd bij architectenbureau Van Gendt in Amsterdam). Woonfuncties in het stadscentrum maakten plaats voor monumentale bankkantoren, effectenbeurzen (zoals de Beurs van Berlage uit 1903), warenhuizen, hotels en een verruimd wegennet ter verwerking van drukke verkeersstromen.

De handelsverbindingen met het opbloeiende Duitse Ruhrgebied en de intensievere exploitatie van Nederlands-Indië maakten van de havens van Rotterdam en Amsterdam dynamische Europese knooppunten voor de tertiaire sector en de financiële dienstverlening.

Politieke ontwikkelingen

De politiek veranderde van een exclusief elitestel in een arena voor massapolitiek. De Kieswet-Van Houten (1896) breidde het kiesrecht uit tot meer dan de helft van de volwassen mannen, wat leidde tot scherpe politieke strijd tussen confessionele, liberale en socialistische partijen.

De staat nam voor het eerst actief verantwoordelijkheid voor het sociale welzijn via wetgeving: de Arbeidswet (1889), de Ongevallenwet (1901), de Woningwet (1901) en de Leerplichtwet (1900) markeerden een breuk met het klassieke laissez-faire liberalisme.

Het tijdvak werd afgesloten met de historische Pacificatie van 1917. Hierin sloot de politieke elite een groot compromis: de confessionelen kregen de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs, terwijl de liberalen en socialisten het algemeen mannenkiesrecht (en in 1919 het vrouwenkiesrecht) verwierven.

Sociale ontwikkelingen

De klassenscheidingen verhardden zich, wat leidde tot grootschalige arbeidsconflicten zoals de Spoorwegstakingen van 1903. Als antwoord hierop organiseerden de werkgevers én werknemers zich in hechte landelijke federaties (zoals het NVV in 1906).

Naast de arbeid ontstond de moderne georganiseerde vrijetijdsbesteding en sportbeoefening (gymnastiekverenigingen, voetbalclubs). De invoering van de achturige werkdag en de Arbeidswet gaven ook het volksmilieu ruimte voor recreatie.

De verstedelijking transformeerde het dagelijks leven: gas- en elektriciteitsvoorzieningen, drinkwaterleidingen en tramnetwerken verhoogden het wooncomfort en de hygiëne, terwijl stedelijke hervormers experimenteerden met tuinsteden en arbeidersdorpen (zoals Agnetendorp in Delft).

Religieuze ontwikkelingen

Dit tijdvak vormde het ontstaansmoment van de klassieke Nederlandse verzuiling. Katholieken en orthodox-protestanten bouwden gesloten maatschappelijke zuilen op met eigen scholen, vakbonden, kranten, ziekenhuizen en gezelligheidsverenigingen om hun achterban te beschermen tegen secularisatie.

Tegelijkertijd zette de secularisatie door onder de stedelijke elite en de arbeidersklasse. Rond 1930 steeg het aantal onkerkelijken voor het eerst tot boven de 10% van de bevolking.

Er ontstond een dialectiek tussen een hechte, in isolement beleefde godsdienstige subcultuur en een overkoepelende nationale burgercultuur.

Culturele ontwikkelingen

Nederland beleefde rond 1900 een wetenschappelijke en culturele ‘Tweede Gouden Eeuw’. Wetenschappers zoals J.H. van ‘t Hoff, H.A. Lorentz, Pieter Zeeman en Heike Kamerlingh Onnes verwierven de eerste Nobelprijzen voor de natuurwetenschappen.

In de kunst en architectuur streefde men naar ‘gemeenschapskunst’ (Berlage, Antoon Derkinderen, Jan Toorop, Richard Roland Holst), waarin beeldende kunst, architectuur en maatschappelijke idealen een nieuwe synthese moesten vormen.

Internationaal heerste de sfeer van het fin de siècle (zoals beschreven door Romein, Schorske en Nordau): een broos spanningsveld tussen ongekend vooruitgangsoptimisme (‘la belle époque’) en onderliggende angst voor decadentie, vervreemding en de dreiging van een vernietigende Europese oorlog.

Most popular

Most discussed