Kosten geen drol.
Goudgeel en knapperig. Ze lijken op inktvisringen maar bij het doorbijten zijn het gewoon gefrituurde uienringen. Wat een nep.
Op Utrecht CS zie ik ze op een verlicht bord van Smullers. Meteen ben ik weer in Salt Lake City, halverwege de jaren negentig.
Ik sta met oom Herman in de rij van een hamburgertent. Ik ken hem nauwelijks en toch voelt hij vertrouwd. Voor ons staat een man met een staartje. Op zijn motorjack: VIETNAM VETS.
Oom Herman kijkt.
En ineens zie ik mijn oma.
Dezelfde priemende ogen. Dezelfde caviawangen. Dezelfde gloeiende verontwaardiging die ik ook van mijn moeder ken.
‘Bull shit! Marlin. Wat een klootvink!’
Hoe langer we samen zijn, hoe meer oude Nederlandse scheldwoorden bij hem bovenkomen. Woorden die hij meegenomen moet hebben uit het Utrecht van vóór zijn emigratie naar Amerika.
Hij kijkt naar het jack.
‘Denk you nou echt, dat wij na de oorlog in zo’n apenpakkie rondliepen? Ridiculous! Vietnam Vets — hou toch op.’
Oom Herman vocht zelf als Amerikaans soldaat in de Pacific. Over wat hij daar had meegemaakt sprak hij nauwelijks. Mijn moeder vertelde dat hij na de oorlog naast zijn bed op de houten vloer sliep. Een matras deed pijn.
De man voor ons hoort niets. Of doet alsof.
Wij bestellen onze gebakken ui en gaan achter een formicatafeltje zitten.
Oom Herman kijkt ondeugend.
‘Union fries kosten geen drol en zijn verdomd lekker.’
Familie.
Gebakken ui.
Dat is smullen.
Een verlicht bord van Smullers op Utrecht CS. Goudgele ringen die op inktvis lijken en gewoon gefrituurde ui blijken. Daarachter opent een hamburgertent in Salt Lake City, halverwege de jaren negentig. Oom Herman in de rij. Voor hem een man met een staartje en VIETNAM VETS op zijn motorjack. In Hermans boze ogen verschijnt ineens oma. Klootvink. Apenpakkie. Union fries kosten geen drol.
De vondst lijkt een uienring.
Maar de eigenlijke vondst is een familietrek die de oceaan heeft overleefd.
Herman vertrok als jongen uit Nederland. Hij werd Amerikaan, vocht als Amerikaan in een Amerikaanse oorlog en sprak zijn Nederlands met een Amerikaanse tongval. Toch hoef je maar naar zijn boze gezicht te kijken en daar staan ineens je oma en je moeder.
De genetische herkenning is sterker dan de geografische afstand.
En dan komen ook de woorden terug.
Niet keurig Nederlands, maar juist het onderste laatje: klootvink, apenpakkie, geen drol. Taal die kennelijk diep genoeg zat om emigratie, oorlog en tientallen jaren Amerika te overleven.
De scène brengt verschillende twintigste-eeuwse geschiedenissen aan één formicatafeltje bijeen.
Een Nederlandse familie emigreert naar Amerika. Een jongen uit Utrecht groeit daar op, wordt Amerikaans militair en belandt in de oorlog in de Pacific. Decennia later ontmoet een Nederlandse achterneef hem in Utah.
Daar staat vervolgens een veteraan uit een volgende Amerikaanse oorlog voor hen in de rij.
Twee oorlogsgeneraties bevinden zich enkele meters van elkaar. De ene draagt zijn veteranenidentiteit zichtbaar op zijn rug. De andere reageert daar afwijzend op en draagt zijn eigen oorlog vooral vanbinnen.
En tussen die twee mannen sta jij.
Dat maakt de hamburgertent onbedoeld tot een klein historisch kruispunt.
- Goudgele ringen; het verlichte bord van Smullers
- De rij in de hamburgertent; formica
- Het motorjack met de gebogen letters VIETNAM VETS
- Vooral: de ogen van Herman, waarin ineens oma verschijnt
- ‘Bull shit!’
- ‘Wat een klootvink!’
- ‘Apenpakkie.’
- ‘Ridiculous!’
- ‘Kosten geen drol.’
- Nederlands dat tientallen jaren in Amerika heeft gelegen en met een Amerikaans accent weer wordt opgegraven
- Gefrituurde ui: vet, zout, zoetig, knapperig
- Goedkoop voedsel dat door de herinnering kostbaar wordt
- De harde korst en de zachte ui daarbinnen
- Het gladde formica
- Verder niet forceren
- Frituurvet en gebakken ui liggen voor de hand in de scène
- De contactafdruk benoemt de geur niet — niet achteraf toevoegen
Je leert Herman niet werkelijk kennen doordat hij zijn levensverhaal vertelt. Integendeel: over het belangrijkste zwijgt hij.
Je leert hem kennen via details.
Zijn blik.
Zijn woede.
Zijn scheldwoorden.
Zijn humor.
Zijn oordeel over een motorjack.
Familiegeschiedenis wordt hier niet onderwezen. Zij lekt naar buiten.
De uienring is hier een prachtig klein indexfossiel.
Armeluisvoedsel. Fastfood. Nauwelijks een gerecht te noemen.
Maar juist daarom werkt hij. De uienring hoeft maar op een verlicht bord op Utrecht Centraal te verschijnen en Salt Lake City gaat weer open.
Het goedkope voedsel blijkt een buitengewoon duurzaam opslagmedium.
Oppervlaktelaag — Een goedkope gefrituurde uienring.
Tweede laag — Een etentje met een oudoom in Salt Lake City.
Derde laag — Een wonderlijke familieherkenning. Een vrijwel onbekende man blijkt in mimiek en temperament onmiddellijk familie.
Vierde laag — Emigratie. Herman heeft Nederland verlaten, maar Nederland heeft Herman niet helemaal verlaten.
Vijfde laag — Oorlog. Achter zijn ergernis over de zichtbare veteranenidentiteit van een ander zit zijn eigen oorlogservaring, waarover hij juist nauwelijks spreekt.
Diepste laag — Wat blijft er van een familie over wanneer mensen uit elkaar raken, emigreren en sterven?
Soms verrassend veel.
Een blik.
Een wang.
Een scheldwoord.
Een smaak.
Migratie — Herman neemt als emigrantenkind een Nederlandse jeugd mee naar Amerika. Zijn identiteit wordt Amerikaans zonder dat de eerste laag volledig verdwijnt.
Familie — Dezelfde lichamelijke uitdrukking duikt bij verschillende generaties op: oma, moeder, Herman. Familie blijkt ook een repertoire van blikken en gebaren.
Taal — Oude Nederlandse woorden blijven onder het Engels liggen en komen in jouw aanwezigheid weer boven.
Oorlog — De Tweede Wereldoorlog ligt als een donkere laag onder de vrolijke hamburgertent. Herman vertelt nauwelijks, maar zijn lichaam heeft kennelijk onthouden wat zijn mond niet vertelt.
Amerikaanse veteranencultuur — Het jack van de Vietnamveteraan botst met Hermans eigen opvatting over veteranenschap. Niet omdat de ene ervaring echter is dan de andere, maar omdat Herman kennelijk een totaal andere omgang met zijn oorlog heeft ontwikkeld.
Consumptiecultuur — Fastfood maakt voedsel goedkoop, reproduceerbaar en plaatsloos. De herinnering doet precies het omgekeerde: één gefrituurde ui wordt uniek en uiterst plaatsgebonden.
Herkenning.
Niet: oorlog.
Niet: Amerika.
Niet eens: familie.
De diepste ervaring is dat een vrijwel onbekende man ineens vertrouwd kan zijn.
Je herkent je oma in zijn ogen. Je moeder in zijn verontwaardiging. Nederland in zijn scheldwoorden.
Alsof familie een ondergrondse ader is die duizenden kilometers verderop gewoon weer aan de oppervlakte komt.
De grootste verschuiving zit in Herman zelf.
Utrechtse jongen → emigrantenkind → Amerikaan → Amerikaanse soldaat → oude man die in aanwezigheid van familie weer Nederlandse woorden opgraaft.
Maar ook de oorlogservaring verschuift. Wat voor Herman kennelijk iets was waarover je vooral zweeg, verschijnt bij de man voor hem als publiek uitgedragen identiteit.
De vondst registreert daarmee niet alleen twee oorlogen, maar mogelijk ook twee verschillende manieren om veteraanschap zichtbaar te maken.
Armeluisvoedsel verandert hier van betekenis.
Eerst betekent het: goedkoop eten. Gefrituurde ui. Bijna bedrog — je denkt even dat je inktvis krijgt.
Later betekent het iets anders: toegang tot Herman.
En familie verandert eveneens. Familie blijkt niet uitsluitend iemand die je goed kent. Je kunt iemand nauwelijks kennen en hem toch onmiddellijk herkennen.
Als kind ken je Herman uit familieverhalen en van één ontmoeting waarbij je voor hem poseert.
In Amerika leer je hem lichamelijk kennen: zijn humor, zijn boosheid, zijn taal.
Daarnaast draag je kennis uit de verhalen van je moeder mee over zijn oorlogservaringen.
De volwassen herinnering voegt die bronnen samen. De man bij de frituur en de oorlogsveteraan uit de familiegeschiedenis blijken dezelfde persoon.
Hier past terughoudendheid.
Hermans sneer naar de Vietnamveteraan is hard, maar de herinnering geeft onvoldoende grond om te bepalen wie moreel ‘gelijk’ heeft. Interessanter is het verschil in houding.
Herman ergert zich aan de zichtbare veteranenidentiteit van de ander, terwijl hij zelf over zijn eigen oorlog zwijgt.
Dat contrast mag blijven schuren.
Binnen de Geheugengroeve raakt deze vondst vooral aan vondsten waarin voedsel een toegangspoort tot familie wordt. De gerookte paling van opa en oma doet iets vergelijkbaars: een alledaagse smaak bewaart veel meer dan alleen een maaltijd.
Ook methodologisch hoort Armeluisvoedsel bij de vondsten waarin een klein sensorisch detail een complete verdwenen wereld ontsluit.
Hier verschijnt een interessant nieuw type geheugenobject: het familiaal indexfossiel.
Niet een voorwerp dat vooral een tijdperk vertegenwoordigt, maar een klein alledaags ding dat toegang geeft tot een familielijn.
De uienring bewaart Herman.
Maar Herman bewaart op zijn beurt Utrecht, oma, moeder, emigratie, oud Nederlands, de Pacific en een bepaalde manier van zwijgen.
Daarom is die gefrituurde ui archeologisch gezien helemaal geen armeluisvoedsel.
Hij is overvol.
Omdat hier bijna de hele Burkunk-methode in één uienring past.
Een verlicht bord op Utrecht CS opent een hamburgertent in Salt Lake City. Een goedkope hap roept een vrijwel onbekende oudoom terug. In diens boze ogen verschijnt je oma. In zijn scheldwoorden verschijnt het Utrecht van zijn jeugd. Achter zijn grappen ligt een oorlog waarover hij nauwelijks kon spreken.
En uiteindelijk blijft van dat alles één volkomen onaanzienlijk ding over.
Een gefrituurde ui.
Kosten geen drol.
Maar als geheugenobject onbetaalbaar.





