Cesuur: De Duitse bezetting van Nederland en de daaropvolgende dekolonisatie van Nederlands-Indië breken de vooroorlogse maatschappelijke orde open.
Karakter van het tijdvak: De naoorlogse periode staat in het teken van de wederopbouw, door de overheid geleide industrialisatie en het ontstaan van de moderne verzorgingsstaat. Onder regie van experts en instituties overheerst het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, gecombineerd met een sterke nadruk op het traditionele gezinsleven en maatschappelijke rust.
Economische ontwikkelingen
De Duitse bezetting (1940-1945) en de Hongerwinter veroorzaakten enorme materiële verwoesting en economische uitputting. Na de bevrijding voerde minister Pieter Lieftinck een rigoureuze geldzuivering uit.
Onder de ‘rooms-rode’ kabinetten-Drees werd een beleid van strakke geleide loon- en prijsbeheersing gevoerd ter stimulering van de wederopbouw en de exportgerichte industrialisatie.
De Marshallhulp (1948) versnelde de modernisering van de industrie. De invoering van de AOW (1957) legde het fundament voor de verzorgingsstaat. De ontdekking van de gigantische aardgasbel bij Slochteren (1960) luidde vanaf eind jaren vijftig een periode in van spectaculaire consumptiewelvaart.
Politieke ontwikkelingen
De Tweede Wereldoorlog en de traumatische dekolonisatieoorlog in Nederlands-Indië (1945-1949) maakten een einde aan de vooroorlogse internationale positie van Nederland.
Pogingen in gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel om via de ‘Doorbraak’ (NVB) de verzuiling op te heffen faalden; de traditionele confessionele en socialistische partijen herstelden zich in de vorm van KVP, PvdA, ARP en CHU.
De ‘rooms-rode’ samenwerking tussen KVP en PvdA (1946-1958) vormde het politieke hart van de wederopbouw. Nederland trad toe tot de NAVO en de EGKS, waarmee het zich definitief verankerde in het Westerse bondgenootschap en de Europese integratie.
Sociale ontwikkelingen
Het overkoepelende maatschappelijke leidmotief was de **maakbare samenleving**. Beleidsmakers, sociologen en pedagogen stuurden het maatschappelijk leven op basis van wetenschappelijke inzichten, ordening en maatschappelijke tucht.
Er gold een strenge arbeids- en gezinsmoraal. Het traditionele gezin met de man als kostwinner en de vrouw als zorgzame huisvrouw werd gezien als het absolute rustpunt in een snel moderniserende wereld.
Eind jaren vijftig ontstonden de eerste contouren van een autonome jeugdcultuur. ‘Nozems’ en ‘vetkuiven’ eisten via brommers, kleding en rock-‘n-rollmuziek een eigen vrijetijdssfeer op, wat leidde tot onrust onder de gevestigde generatie.
Religieuze ontwikkelingen
In de eerste naoorlogse jaren herstelden de kerken hun maatschappelijke overwicht. Met het Bisschoppelijk Mandement van 1954 probeerde de katholieke leiding de gelovigen binnen de eigen verzuilde organisaties te houden.
Eind jaren vijftig begonnen de hechte kerkelijke structuren echter van binnenuit te kenteren. De stijgende welvaart, de opkomst van de televisie en de toenemende mobiliteit tastten de kerkelijke sociale controle aan.
Het Vaticaans Concilie II (1962-1965) luidde een periode in van ingrijpende modernisering en democratisering binnen de Nederlandse Katholieke Kerk.
Culturele ontwikkelingen
Posthuum verscheen in 1945 Johan Huizinga’s *Geschonden wereld*, waarin hij reflecteerde op de verwoeste Europese cultuur en pleitte voor een moreel en geestelijk herstel op basis van menselijkheid en versobering.
De Amerikaanse populaire cultuur (Hollywoodfilms, consumptiegoederen, de grammofoonplaat) deed haar definitieve intrede in het dagelijks leven van de Nederlander.
In de kunsten ontstond een felle reactie tegen de vooroorlogse burgerlijke esthetiek. De Cobra-beweging (Karel Appel, Corneille) en de dichtersgroep der Vijftigers (Lucebert, Remco Campert) brachten een rauwe, spontane en anti-academische kunstvorm.


