Leegkiepen en overdoen
zolder burkunk

Kerst voor ongelovigen (1974)

Nooit begrepen waarom Europa over de geboorte van Jezus Christus door de jaren heen zo’n ophef heeft gemaakt. Op mijn school leerde ik dat die gebeurtenis een verzinsel was, om mensen dom te houden, net zoals Sinterklaas.

De Geheugen Groeve op mijn zolder

Liedboek van de Werkplaats Kindergemeenschap

Met Kerst in de Grote Zaal samenkomen met alle groepen en het lied Buiten is er wind en regen zingen. Geen onduidelijk verhaal over Jezus van Nazareth. Nee, we zijn gewoon in Bilthoven en buiten is het koud en binnen is het licht. Want ‘daar zijn gedachten naar elkander toegericht’.

Kerst voor ongelovigen op de WP

Toen in 1975 liepen we vanuit de Zaagtand naar de Grote Zaal in het U-gebouw. Dat was natuurlijk voor de gezinsgroepen (die gewone jongens in mijn dorp een klas noemden) al een kijkje in de wereld die nog voor ons lag, negen jaar was ik. Het was een immense zaal met zelfs een balkon. Daar liepen de oudere werkers. Een spannende omgeving.



Er stonden lange tafels met kerststukjes. Brandende kaarsen. En een kerstboom op het podium.
Ik kan mij niet meer goed herinneren of er nu een orkestje was of dat er een geluidsband speelde. Een ding was zeker: we openden steevast met het lied ‘Buiten is er wind en regen’. Ik kende de tekst uit mijn hoofd. Ik zong met volle borst mee. Heel toegewijd. Normaal was ik meteen gaan klooien door voor de grap een andere tekst te zingen. Nee, dit was het enige lied van die maffe school dat ik echt serieus nam. Het ontroerde me. Nog steeds eigenlijk.

BIJ DE REÜNIE

tekst: Meia Albarda
muziek: misschien Pergolesi, waarschijnlijk Antoine Abanèse

( 👀 visualisatie, 🔈 audioversie)

Bui-ten is er wind en re-gen.
Bui-ten is het koud en guur.
Bui-ten komt de donk’re nacht al
in het vroe-ge a-vond-uur

Maar hier binnen branden kaarsen.
En hier bin-nen is het licht. Want hier bin-nen
zijn ge-dacht-en naar el-kan-der toegericht.

Bui-ten is er sneeuw en ijz-el.
Bui-ten is het koud en kil.
Bui-ten komt de donk’re nacht al
die het licht ver-jag-en wil.

Maar hier bin-nen bran-den kaar-sen.
En hier bin-nen is het licht. Want hier bin-nen
zijn ge-dach-ten naar el-kan-der toe-ge-richt.

Bui-ten is er wind en ha-gel.
Bui-ten is het koud en kaal.
Bui-ten is de barre win-ter
voor ons men-sen al-le-maal

Maar hier bin-nen bran-den kaar-sen.
En hier bin-nen is het licht. Want hier bin-nen
zijn ge-dach-ten naar el-kan-der toe-ge-richt.

De website “Vrije Schoolliederen’ zegt over dit lied:
De oorspronkelijke liedtekst van dit Franse herderslied (=bergerette) is het gedicht ‘Les tendres souhaits (=de tedere woorden) van de dichter Charles-Henri Ribouté (1708-1740), dat in de tweede helft van de 18e eeuw op muziek werd gezet door Antoine Abanèse, al schrijven ook velen deze muziek toe aan Giovainni Pergolesi (1710-1736).

Nou, onze Kees Boeke deed dat ook want in ons liedboek staat niet meer dan ‘Pergolese’ (18e eeuw). Ik vond op YouTube een Franse versie van dit lied, misschien wel de oorspronkelijke muziek.


‘Les tendres souhaits (=de tedere woorden)

Que ne suis-je la fougère,
Où, sur la fin d’un beau jour,
Se repose ma bergère
Sous la garde de l’amour!
Que ne suis-je le Zéphyre
Qui rafraîchit ses appas,
L’air que sa bouche respire,
La fleur qui naît sous ses pas.

Que ne suis-je l’onde pure
Qui la reçoit dans son sein!
Que ne suis-je la parure
Qui la couvre après le bain!
Que ne suis-je cette glace,
Où son minois répété
Offre à nos yeux une grâce
Qui sourit à la beauté!

Que ne puis-je par un songe,
Tenir son cœur enchanté!
Que ne puis-je du mensonge
Passer à la vérité!
Les dieux qui m’ont donné l’être
M’ont fait trop ambitieux,
Car enfin je voudrais être
Tout ce qui plaît à ces yeux.

Kon ik toch de varen zijn,
Waar aan het eind van mooie dag
Mijn herderinnetje rust tijn,
Onder de liefdes goede vlag

Kon ik toch de zephier wezen,
Die haar bekoorlijkheid verkoelt,
De adem die zij gaande leest,
De bloem waar onder zij zich bukt!

Kon ik toch het zuiver water
Zijn dat haar omhelzend ontvangt!
Kon ik toch de sieraad glanzen,
Die haar bedekt na ‘t badhuis glanst!

Kon ik toch die spiegel wezen,
Waar haar gezichtje zich vertoont,
En aan ons oog een schoon wezen
Is dat de schone toelacht doont!

Kon ik haar door dromen houden,
In haar betoverd hart gekneld!
Kon ik waar geen leugens dringen,
Tot waarheid des verlangens telt!

De goden die mij hebben geven,
Maakten mij al te eerzuchtig:
Ik wenste alles wat hier leeft
Waarop haar blik zich richt slechtig.




Marlin Burkunk

Follow us

Don't be shy, get in touch. We love meeting interesting people and making new friends.

Most popular

Most discussed