leegkiepen en overdoen

De Concessie

Over deze site: grote en kleine verhalen over vroeger

Burkunk.com is een concessie — een afgebakend stuk terrein waarop twee dingen tegelijk gebeuren. Onder de grond zit een schacht die zich, laag voor laag, dieper het verleden in boort. Boven de grond staat een huis, met een kelder vol weckflessen, waarin het heden wordt ingemaakt, lang voordat het geschiedenis is geworden. Eén terrein. Twee bouwwerken. Verschillende diepte.

Waarom heet deze site een concessie

Het woord is met opzet gekozen. Een concessie is in de mijnbouw het recht om een gebied te exploiteren — de schacht eronder én de installaties erboven horen bij dezelfde vergunning. Maar concessie betekent in het Nederlands ook: toegeving, overgave. Iets aanvaarden zoals het is, ook al zou je het liever anders zien.

Concessie watergraafsmeer burkunk

Beide betekenissen passen bij wat deze site doet. Geschiedschrijving is, hoe je het ook wendt of keert, een vrij onbewijsbaar verslag van vroeger – ingekleurd door de verteller en door de tijd waarin hij vertelt. Wie op deze site naar de grote en kleine verhalen over ons verleden zoekt, moet zich realiseren dat hier niet waterdichte conclusies worden gepresenteerd. De historicus doet concessies: aan wat wél te reconstrueren valt, en aan wat voorgoed in het duister blijft.

De schacht: het verleden

Historisch onderzoek wordt hier behandeld als een grondboring. Er wordt geboord met vier instrumenten tegelijk:

  • geologie — de aardlagen zelf
  • archeologie — de artefacten die erin liggen
  • dendrologie — de jaarringen, de opeenvolging van vette en magere jaren met duidelijke cesuren
  • cultuurgeschiedenis — de duiding van wat er wordt aangetroffen dat met mensen te maken heeft.

Van de vier is dendrologie de sluitpost — het minst uitgewerkte instrument, tot nu toe. Toch levert de dendrologie een woord dat de andere drie missen: de cesuur, de grens tussen twee jaarringen. Historici gebruiken de term al precies zo: het punt waarop de ene ontwikkeling ophoudt en de volgende begint — 1750, 1960, of welk jaar dan ook dat als omslag wordt aangewezen. Een brede ring duidt op een vet jaar, een tijdgeest met ruimte; een smalle ring op een mager jaar. Maar de cesuur zelf is geen jaar — het is de ademstop ertussenin, tegelijk einde van het ene en begin van het volgende. Binnen één ring zit bovendien een eigen levensloop: vroeghout, de snelle groei aan het begin van een tijdgeest, en laathout, de trager wordende afsluiting vlak voor de volgende cesuur zich aandient.

Indexfossielen

Een geoloog boort met een holle boor en haalt een cilindervormige kern omhoog: de boorkern. Daarin zie je, van boven naar beneden, klei, zand, veen, schelpen, kleurverschillen — elke centimeter een eigen tijdvak. Denk aan een doorsnede van 2026 terug naar 1848: bovenin AI en smartphone, dan internet, dan de videorecorder, dan de wederopbouw, dan de Eerste Wereldoorlog, dan daaronder de sociale kwestie, de industrialisatie en helemaal onderin Thorbecke en zijn grondwet. Eén verticale cilinder — krachtiger dan een tijdlijn, omdat je de lagen letterlijk op elkaar gestapeld ziet liggen.

Maar de boorkern zelf is niet neutraal. Je bekijkt hem altijd door een glazen cilinder — een lens gevormd door opvoeding, opleiding, generatie, ideologie, herinnering. De grond is objectief. De cilinder waardoor je hem bekijkt, is dat niet. Dat glas vervormt, soms nauwelijks, soms sterk. Het is, met een knipoog naar E.H. Carr (1), onmogelijk om rechtstreeks naar het verleden te kijken — je kijkt er altijd doorheen, door jezelf.

Door de lagen heen lopen bovendien ertsaders: geen perspectieven, maar krachtenvelden die zich niet aan één laag houden. Een sociale ader (bijv. verzuiling), een economische (industrialisatie), een politieke (oorlog), een technologische (elektrificatie), een culturele (romantiek), een mentale (individualisering). Zoals een goudader dwars door verschillende gesteentelagen loopt, lopen deze processen dwars door de tijdvakken die hier worden opgeboord.

Wat er in de schacht wordt aangetroffen, is zelden alleen een oude pot. De vondsten vallen uiteen in artefacten (een zakje chips, een ziekenfondskaart), fossielen (de melkboer, de telefooncel, de dienstbode — beroepen en figuren die zijn uitgestorven), documenten (advertenties, schoolrapporten, brieven), geuren (boenwas, sigarenrook, drukinkt), smaken (Tarvo-brood, azijnchips), mentale afdrukken (schaamte, heimwee, ontzag), personen (Drees, oma) en ideeën (vooruitgang, zuinigheid — ook een idee kan fossiliseren).

En soms zit er tussen de lagen iets dat er eigenlijk niet hoort: een insluitsel. Geologen noemen zo een steentje uit een andere tijd dat in de verkeerde laag is terechtgekomen. Op deze concessie is dat bijvoorbeeld het praalgraf van generaal Van Heutsz, twee straten van waar ik woon: een negentiende-eeuws eerbetoon dat, ondanks tekstborden over zijn oorlogsmisdaden, nog altijd rechtop staat in een eenentwintigste-eeuws Amsterdam. Een anachronisme, ingebed in een laag waar het eigenlijk niet meer thuishoort.

Het huis in de Pythagorasstraat in Amsterdam en het heden

Alles hierboven vraagt om graafwerk. Maar niet alles wat op deze concessie ligt, moet worden opgeboord. Het heden ligt namelijk gewoon aan de oppervlakte — je hoeft er niet voor te boren, alleen maar om je heen te kijken. Een Tesla in de straat Zonnepanelen op het dak van de buren. Een scholier op een bankje die vereenzaamt omdat hij zijn vrienden alleen nog op een scherm ziet. Dat is geen verhard gesteente dat ontsloten moet worden — dat is vers sediment, nog niet samengeperst door de tijd.

Geschiedenis kun je namelijk alleen achteraf beleven. Wat er nu gebeurt, is nog niet uitgekristalliseerd. Er is nog geen afstand, geen tijdlaag overheen gegaan, geen duiding mogelijk die meer is dan een gok. Vandaar het tweede bouwwerk op de concessie: niet een schacht, maar een huis. En in de kelder van dat huis staat een kast vol weckflessen — een tijdgeestkabinet.

Hier wordt niets uitgegraven. Hier wordt ingemaakt. Wat vandaag aan de oppervlakte ligt en nog geen enkele geschiedschrijver kan duiden, wordt hier vers de pot in gedaan: gelabeld, gedateerd, weggezet. Niet om er nu al iets verstandigs over te zeggen — daarvoor is het te vroeg — maar om het te bewaren voor het moment dat er wél tijd overheen is gegaan, en iemand, over vijftig of honderd jaar, de pot opent en alsnog gaat boren.

De schacht vraagt om boorwerk. Het huis vraagt alleen om een scherp oog en een lege weckfles.

Mijn eigen plek op de concessie

Ook de concessiehouder zelf staat met zijn kleine, persoonlijke verhaal ergens op dit terrein. Ik ben de zoon van een selfmade man die het, met een Mulo-diploma en gezond verstand, schopte tot ‘manager food’ bij een warenhuis en tot de gegoede burgerij (wat is exact de term?) toe trad. Zijn vader was in de jaren ’30 tot de jaren ’60 kruidenier en later filiaalhouder bij een van de eerste supermarkt-ketens Simon de Wit, de latere Albert Heijn.
Ik ging als zoon van deze kruidenier/manager als eerste in de familiegeneratie studeren — een stijging op de sociale ladder die ik, als startpunt van het verhaal over mijn achtergrond, laat beginnen bij de hervorming van de grondwet in 1848 in Nederland. Dat is natuurlijk het grote verhaal. Halverwege de negentiende eeuw kreeg de middenklasse vorm: de burgers die zich door middel van stemrecht, onderwijs en nieuwe beroepen als industrieel gingen meedoen in een meer open maatschappij, meritocratisch voor mijn part (nuanceren). Mijn eigen leven is, met andere woorden, zelf ook een vondst op deze concessie: een klein verhaal waarin het grote verhaal van standsverschil, emancipatie en burgerschap even samenkomt.

Waarom deze concessie

Een natuurkundige kan verklaren waarom een steen valt. Een historicus kan niet verklaren waarom een oorlog uitbreekt — hoogstens begrijpen, omdat haar onderzoeksobject de mens is, en niets menselijks haar vreemd is. Deze site doet dan ook geen poging tot generieke waarheden. Het is inzichtgevende content, ter leringh ende vermaeck: grote en kleine verhalen naast elkaar zetten, uit de schacht en uit de kelder, en zien wat ze elkaar te vertellen hebben.
In de jaren ’30 van de 20-ste eeuw, de tijd waarin mijn vader en mijn moeder werden geboren, benoemde de historicus Johan Huizinga, deze periode als een tijd van crisis en achteruitgang. Hij heeft het zelfs over duivelse bezetenheid en ziet, als groot verhaal, de ‘arme Europese menschheid’ verstompen en verdwazen’ (2). Hij doelt daarmee natuurlijk op de opkomst van totalitaire regimes die met hun populistische ideeën grote massa’s aanspreken.
Om twee redenen vind ik de uitspraak van de ultra-conservatieve historicus interessant.

a. Huizinga spreekt over de jaren ’30 in Nederland. De tijd dat mijn ouders geboren werden en hun vroege kinderjaren beleefden. Kennelijk in een ‘bezeten tijd’. De vraag is hoe mijn ouders gevormd zijn door deze periode. Helemaal na de daaropvolgende wereldoorlog. Hoe heeft deze context doorgewerkt in de opvoeding die zij mij, 35 jaar later geboren, met de beste bedoelingen hebben gegeven?

b. De vergelijking met een groot verhaal in onze eigen tijd (nu 2026) dringt zich op. Leven we nu weer in een bezeten wereld? Ook nu spelen angst voor het onbekende en een groot wantrouwen ten opzichte van overheden, ultra-rechts, populistische leiders in de kaart.

‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.’

— Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen (1935)

Het kan geen kwaad om ook in 2026 naar Huizinga te luisteren.

Bronnen

(1) E.H. Carr, What Is History? (London: Macmillan, 1961), pp. 5, 24.

(2) Johan Huizinga, Verzamelde Werken, deel VII: Geschiedwetenschap / hedendaagsche cultuur (Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon, 1950), p. 315.

Most popular

Most discussed