Historia Vitae Magistra
Vooraf — over de waarde van deze exercitie

Vooraf — over de waarde van deze exercitie

Geschiedenis is een menswetenschap. Ze bestudeert op een academische wijze de handelende mens achteraf. Maar de wetenschappelijke methoden om tot waterdichte analyses en conclusies te komen zijn vij beperkt. Een proefopstelling van een historische situatie in een laboratorium is niet werkbaar. Waarom dingen zijn gegaan zoals ze gingen is niet wetenschappelijk te verklaren. Je kunt hoogstens een culturele, politieke, sociale en economische context van een historische gebeurtenis reconstrueren en voorzien van wat duidingen die logisch lijken.

Menselijk gedrag — een handeling, een beslissing, een emotie — wordt bepaald door een samenspel van nature en nurture, van biologie en cultuur. We zien van alles in het verleden gebeuren dat wijst in een bepaalde richting, een trend die je misschien wel kunt generaliseren, voor een natie, een groep mensen met dezelfde politieke kleur of misschien wel een hele cultuur. De verleiding is groot om met deze generalisaties een wetmatigheid te formuleren die onder alle omstandigheden geldt. Nader beschouwd valt dit soort harde wetenschap enorm tegen. Het cliché is dat het enige wat wij van geschiedenis kunnen leren, elke keer weer, is dat er niets te leren valt. Het loopt altijd anders. Het enige harde component van de geschiedwetenschap is de verwijzing naar de primaire bron die gecontroleerd is, of de referentie naar betrouwbare secundaire literatuur. Verder is een levendige geest noodzakelijk om die bronnen aan het praten te krijgen — maar dat is al geen rationele wetenschap meer te noemen. Hier ontstaat interpretatie: een grove en slimme duiding van een grote wereldgebeurtenis, of van een klein korreltje zand op het historische pad.

Die grote en kleine verhalen vormen samen een geschiedenis.

Grote en kleine verhalen vormen geschiedenis

Nederland is van 1940 tot 1945 ingenomen door een Duitse bezettingsmacht — genoeg primaire en secundaire bronnen bewijzen dat. En een man van 26 jaar met de naam Jan Beekes is op 8 maart 1945, twee maanden voor de bevrijding, samen met 114 andere gevangenen doodgeschoten door de Duitsers als vergeldingsactie voor een aanslag op de hoogste SS-er in Nederland, Hans Albin Rauter. Bronnen: een document van het Rode Kruis uit mei 1945 met de slachtofferlijst, een foto van de beschoten Mercedes van Rauter, een aanplakbiljet van de vergeldingsactie bij de Woeste Hoeve, een getuigenverslag van een omstander die gedwongen werd te kijken.

Dat is de droge, bewijsbare omschrijving van een historische gebeurtenis. Maar voor een verklaring is dit te weinig. Er moet geduid worden om tot begrip te komen. We willen een kloppend verhaal over daders en slachtoffers, over angst en moed en onrecht. Geschiedenis als groot en kloppend verhaal kan niet zonder waarden, standpunten en perspectieven van de auteurs die achteraf over de gebeurtenis schrijven.

Zo raakt het kleine verhaal het grote. Het verhaal van Jan Beekes raakt het grote verhaal van de bezetting, van de SS, van de Europese catastrofe. En omgekeerd: het grote verhaal wordt pas voelbaar in het kleine. Kees Boeke schreef in Wij in het heelal, het heelal in ons over de structuur van de werkelijkheid in ruimte — van het nano-kleine tot het kosmisch grote. Iets vergelijkbaars geldt voor tijd: van de grote verhalen van beschavingen en structuren, tot de kleine verhalen van individuen wier leven toevallig of tragisch samenvalt met de geschiedenis.

Die verbinding — tussen groot en klein, tussen structuur en beleving — is het uitgangspunt van dit project.

Structuren die je niet ziet

De Franse Annales-school — Febvre, Bloch, Braudel — keerde zich af van de geschiedenis als aaneenschakeling van dramatische gebeurtenissen. Wat hen interesseerde waren de trage, bijna onzichtbare processen: klimaat, demografie, economische structuren, mentale gewoonten. De dingen die zich niet in één jaar voltrekken, maar in generaties.

Braudel schreef over de Middellandse Zee als historisch subject. Niet de slag bij Lepanto, maar het ritme van de seizoenen, de handelswegen, de stedelijke patronen die eeuwenlang nauwelijks veranderden. Dat is een andere blik — trager, grondiger, minder dramatisch maar uiteindelijk verhelderender.

Maar structuren alleen zijn niet genoeg. Huizinga leerde mij dat cultuur — de manier waarop mensen zichzelf begrijpen, de beelden waarmee ze denken, de rituelen waarmee ze leven — een eigen historische kracht heeft. Zijn begrip van de middeleeuwen in Herfsttij der Middeleeuwen is geen analyse van productieverhoudingen. Het is een poging te voelen hoe mensen de wereld toen ervoeren. Dat is cultuurgeschiedenis: geschiedenis van binnenuit.

Ik probeer beide benaderingen te verbinden. De structuur geeft het kader, de cultuur geeft het leven.

De geschiedenis in mij

Er zijn ook onzichtbare historische sporen die we in ons leven meedragen en die op de achtergrond het handelen van individuen — en van gehele naties — bepalen. De agressieve buitenlandpolitiek van Israël is niet te begrijpen zonder drieduizend jaar vijandelijkheid van de buitenwereld jegens Joodse mensen. En in Nederland: de WK-finale van 1974, waarbij een collectieve drang leefde om iets recht te zetten tegenover onze Oosterburen, wat dertig jaar eerder was gebeurd. Het verlies zorgde voor een dubbeltrauma dat overging van vader op zoon — ook in het huis van een achtjarige jongen in Maartensdijk.

Ik was pas in 1988 gerustgesteld, toen Nederland in de halve finale eindelijk won van Duitsland. En nog steeds, als ik tijdens de Champions League de supporters van Bayern München uit volle borst Sieg Sieg Sieg hoor zingen, krijg ik kippenvel van verontwaardiging. Ook dat is de geschiedenis in mij: als kind van een door de oorlog getraumatiseerde moeder blijf ik, ondanks alle rationele overwegingen, bewogen door historische sporen die onuitwisbaar op mijn harde schijf zijn gekomen.

Waarom dit project

Dit tekortschieten van de geschiedenis als exacte wetenschap mag er niet toe leiden het zwijgen te doen. Goed vertelde verhalen over vroeger zijn een manier om jezelf te verhouden tot de wereld waarin je leeft. Vanuit sociologisch perspectief kunnen we kijken hoe mensen in het verleden oplossingen bedacht hebben voor de problemen van het samenleven — van de democratische experimenten in Athene rond 450 voor Christus, via de grondwet van 1848, tot het algemeen kiesrecht in Nederland in 1919.

Tot op heden geldt de democratie als de minst slechte bestuursvorm. Al zien we de afgelopen jaren in Europa en de VS tendensen naar populisme en autocratisch leiderschap waarbij democratische verworvenheden ter discussie worden gesteld. Wat kan de geschiedenis aandragen aan vergelijkingsmateriaal om dat debat te voeden?

Waar komen we vandaan en waar willen we naartoe? Het zijn klassieke levensvragen. Het verleden biedt geen concrete richting, maar wel een berg vergelijkingsmateriaal. Door hiervan kennis te nemen brengt men een denkproces op gang — een debat over vroeger en nu.

Dit project beslaat de periode 1848 tot 1969: van de grondwet van Thorbecke, het begin van het moderne burgerleven, tot de jaren zestig, waarin die burgerlijke cultuur haar eigen grenzen bereikte. Tussen die twee jaren ligt een beschaving — met haar zelfverzekerdheid, haar blinde vlekken, haar prestaties en haar falen.

De kantelpunten die ik hier beschrijf zijn plekken waar trage processen zichtbaar worden. Waar iets dat lang ondergronds stroomde, aan de oppervlakte komt. Groot en klein tegelijk.

Follow us

Don't be shy, get in touch. We love meeting interesting people and making new friends.